Afdrukken

Verkoop archeologische vondsten onrechtmatig

ERMELO - Archeologische vondsten uit diverse gemeenten, waaronder Ermelo, dreigden geveild te worden vanwege openstaande facturen (voor uitwerking en rapportage van archeologisch onderzoek). Maar wie moet hier uiteindelijk voor opdraaien? Sinds de invoering van de commerciële archeologie aan het begin van deze eeuw geldt het principe van de verstoorder bouwer betaalt.

Wanneer er bij een bouwproject sprake is van archeologisch onderzoek, dan is de initiatiefnemer van het bouwproject verplicht de kosten hiervoor te betalen. De archeologische bodemvondsten zijn vervolgens eigendom van de provincie of in sommige gevallen de gemeente waar zij gevonden zijn. Gemeenten verbinden dit archeologisch onderzoek aan het afgeven van een omgevingsvergunning. Projectontwikkelaars kunnen daardoor pas met de bouw beginnen zodra het archeologische veldwerk is afgerond. Het onderzoek is daarmee echter nog niet klaar. De uitwerking vormt het tweede deel. Zonder uitwerking is het veldwerk eigenlijk voor niets geweest. Omdat de opdrachtgever lang niet altijd geïnteresseerd is in het eindproduct zelf, neemt hij het soms niet zo nauw met het betalen van dit eindonderzoek. En daardoor lijden de archeologische bedrijven soms miljoenen euro’s schade.

Archeodienst probeerde een oplossing voor dit probleem te forceren door een veiling van vondsten te organiseren. ,,Maar dat is juridisch strafbaar,” vertelt regio-archeoloog Maarten Wispelwey. ,,Het feit dat de gemeente Ermelo nu aangesproken wordt en een claim krijgt, is ook niet terecht. Het ligt genuanceerder.” Wispelwey begrijpt hoe de problemen de afgelopen jaren zijn ontstaan. ,,Archeologische ondernemers moeten hun bedrijfscultuur onder de loep nemen. Vaak wordt er bij aanbesteding ingeschreven voor een heel laag bedrag, wat dan alleen geldt voor het veldwerk. Daarna volgt een factuur met meerwerk voor wat betreft de eindrapportage. Daar schrikt de opdrachtgever van. Deze is ook niet geïnteresseerd in de eindrapportage, die vaak ook pas twee jaar later wordt afgeleverd.” Hij ziet nog wel een bemiddelende taak van de gemeente om bij wanbetaling bij te springen. ,,Maar de Archeodienst had hiervoor ook contact met mij kunnen zoeken. Dat is niet gebeurd. Het probleem was dus ook niet bekend. De weg die ze nu inslaan is allerminst charmant.”

Zodra de archeologen in het veld hun werk afgerond hebben, wordt een bouwlocatie ‘archeologievrij’ verklaard en kunnen bouwwerkzaamheden van start gaan. Soms verdwijnt dan ook de bereidheid tot het betalen van de rest van het onderzoek. ,,Het veldwerk is belangrijk, maar zonder een gedegen uitwerking is dit zinloos,” aldus de regioarcheoloog. Het een is onlosmakelijk verbonden met het ander. Zonder eindrapport wordt de verzamelde informatie als verloren beschouwd. De bouwer heeft de verplichting om ook de uitwerking te betalen. Dit is contractueel vastgelegd met het archeologische bureau, in de gemeentelijke vergunning en de Erfgoedwet. Deze Erfgoedwet is er heel duidelijk over: opgraven is naast veldwerk ook uitwerken, documenteren, rapporteren en deponeren van vondsten en rapportage. Desondanks zijn er wanbetalers. ,,De gemeente zou in deze gevallen explicieter kunnen zijn in het formuleren van de voorwaarden aan een vergunning. Daarnaast heeft de gemeente de rol van handhaver. In de wet is geregeld dat archeologische bureaus binnen twee jaar een rapport moeten opleveren. Als ze dit nalaten, kan hun bevoegdheid om op te graven afgenomen worden. Veel bureaus kiezen er maar voor om de uitwerking en rapportage van het onderzoek dan maar voor eigen rekening te nemen. ,,Ik begrijp best dat deze bureaus dan wijzen naar gemeenten omdat deze de voorwaarden stellen. De bureaus willen nu dat gemeenten gaan handhaven. Maar om na twee jaar alsnog te gaan handhaven, is niet eens zo makkelijk," aldus Wispelwey. Toch zouden gemeenten er volgens hem beter op moeten toezien dat er een eindrapport binnen twee jaar wordt opgeleverd. Dat is de voorwaarde aan de verleende vergunning. Maar gemeenten hebben geen rol in het wel of niet betalen van facturen.

Tot slot ziet Wispelwey nog een praktisch probleem: ,,Er zijn geregeld situaties waarbij bv'tjes zijn opgericht, waarvan dan het bv'tje dat voor de uitvoering bestemd was, failliet gaat. Dan is niemand meer aanspreekbaar. Op wie moet je dan de kosten verhalen.? Vergelijk het met die woningbouwprojecten waarbij particulieren financieel kunnen meefinancieren als belegging. Tijdens de bouw gaat de bv failliet en eigenaren/financiers kunnen dan fluiten naar hun geld."